zondag 24 oktober 2010

Gewroet in mijn buik

De laparoscopie was een pak zwaarder dan ik verwacht had. Eén van de eerste dingen die ik dacht toen ik wakker werd, was: 'man, wat hebben die nogal in mijn buik zitten wroeten, zeg.'
Ik herinner me goed dat ik wakker werd van gebliep en van een computergestuurde bloeddrukmeter rond mijn arm die ineens in gang schoot. Ik lag naast een venster waar ik niet door naar buiten kon kijken (al zag het licht er grauw uit ondanks de zomerdag) en zag even verder een verpleegster rechtspringen.
'Dag mevrouw. Alles goed? Heeft u pijn?'
'Hoe laat is het?' mompelde ik. Ik moest het twee keer herhalen.
'Eén uur twintig.' Ik was binnengegaan om 10u of zo. Ik moet zeker twee uur, twee uur en half, in slaap geweest zijn.
De verpleegster controleerde mijn baxter en de appartuur.
'Heeft u pijn,' vroeg ze nog eens. Ik knikte meer uit voorzorg. Ik was nog iets te verdoofd om veel te voelen, maar hey, laat maar komen die pijnstiller voor ik opeens begin te gillen.

Die ochtend was ik binnen gegaan om 7u30. Gelukkig was Allerliefste bij me, want ik was zo nerveus dat ik de verkeerde lift instapte en meteen verloren liep. Hij moest me bijna letterlijk bij de kraag vatten: 'deze kant op, schat.'
Eens we de juiste aanmeldbalie gevonden hadden, werden we al snel naar de kamer gebracht. En daar begon het wachten. Ik had een krukdroge mond en was duizelig. De avond ervoor had ik een stevig laxeermiddel moeten nemen en sindsdien had ik niets meer mogen drinken of eten, toch moest ik nog steeds af en toe naar de wc lopen. Lezen lukte me echt niet.
Om 9u vertrok Allerliefste naar zijn werk. Hij had geen verlof.
Een verpleegster kwam controleren of ik me goed voorbereid had. Of ik geen nagelnak meer op had enzo.
De secondewijzer tikte verder. En dan ineens was het zover. Ze stonden er, klaar om me te komen halen. Nerveus wipte ik weer uit bed. Ik moest absoluut nog even naar de wc.

Ze namen me mee door de gangen van het centrum. Wat was ik blij dat het operatiekwartier (OK) vlakbij was en ik niet met mijn bed door het hele ziekenhuis gerold moest worden. Wat was ik blij dat ik opgehaald was door De Olijke Tweeling. Een mannelijke en een vrouwelijke verpleegkundige die hun best deden om de stemming luchtig en vrolijk te houden. Ze vroegen me honderduit over van waar ik kwam en over ons nieuwe huisje. Maakten een grapje. Maakten nog een grapje.

Eerst kreeg ik nog een baxter in een soort tussenruimte voor het OK. Daar hing de serene sfeer van bang afwachten. De verpleegster, een jonge vrouw, zuchtte toen ze mijn handen zag. 'Wat een dunne aders heb je, zeg. Deze prik zal even venijnig zijn.' Juist ja; dat voelde ik.

En dan stond de Olijke Tweeling er weer om me naar het OK te brengen. Ze waren intussen gestopt met grapjes maken (misschien was het een andere, minder olijke tweeling). In het OK moest ik zelf op het operatiebed kruipen. Een akelig ding met steunen voor mijn benen, zoals bij de gynaecoloog. Het was er ijskoud. Ik lag in een mum van tijd te klappertanden. Ik voelde me een instant ijslolly, maar dan een met gespreide benen.
'Ja, koud hier, he. Ik leg nog even een extra dekentje over u.' Ik wou haar bedanken, maar kreeg een zuurstofmasker op de mond gedrukt. Het beklemde me. Ik had net het gevoel er geen adem door te krijgen en wou mijn hoofd wegdraaien.
'Wees gerust, mevrouw. Alles komt goed. We zullen goed voor u zorgen.'

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen