zondag 19 december 2010

Een wit stipje

'Wilt u het zien, mevrouw? Het is dat witte stipje daar.' De assistente draaide het scherm van de echo zodat ik kon bewonderen wat de dokter zonet in mijn buik had teruggeplaatst. Er was inderdaad een klein wit stipje te zien in een grotere donkere vlek, al was het met een echo nooit echt goed uit te maken of dat nu 'iets' was van al die wonderlijke dingen die die dokters en assistenten daarin kunnen zien, of gewoon wat bewegende ruis wat de gewone mensen daarin zien. Het witte stipje danste even in beeld. Het was niet groter dan enkele dots, beeldschermpuntjes, dan een mini-sneeuwvlokje, of een kruimeltje.

De dokter zat even mee te kijken van tussen mijn benen. Ze had wat moeite gehad met het juiste 'afzetplekje' te vinden. Ze was aan het poken geweest met een staaf met een hele fijne priem, een holle naald waarschijnlijk en moest dat ene plekje vinden waar mijn witte stipje kon achtergelaten worden aan mijn goede zorgen. In tegenstelling tot wat ze gezegd hadden, had dit toch wel pijn gedaan. Ze hadden een paar keer 'gaat het mevrouw?' gevraagd, terwijl flink gepookt, geprikt en geroerd werd. Waarop ik, diep in en uit ademend – want ik probeerde me intussen ontspannen te houden –, 'ja, hoor.'

En toen moest ik een uur plat blijven liggen en natuurlijk was het eerste waar ik aan moest denken: 'en nu mag ik echt niet naar de wc.' En natuurlijk moest ik nog geen half uur later echt naar de wc. Ik kon mijn gedachten nog eens twintig minuten verzetten door me te concentreren op mijn meegebrachte lectuur en met het vervloeken dat ik niet eens durfde op te staan om even mijn gsm uit mijn kastje te vissen om naar Allerliefste te kunnen bellen en dat terwijl ik mijn gsm hoorde zoemen toen er een berichtje binnenkwam.

De laatste tien minuten was ik het kotsbeu. Ik lag te denken: 'ik ga niet opstaan en naar de wc lopen. Ik wil het witte stipje niet meteen uitpissen. Ik ga niet naar de wc lopen. Ik moet niet pissen. Ik moet aan iets anders denken. Niet aan pissen. Niet aan water.' En toen was het uur voorbij en hield ik het niet langer. Het was de stress denk ik, want natuurlijk was het niet veel. Ik was voordien nog verschillende keren geweest.
En toen kon ik echt wenen; wie weet lag Wit Stipje gewoon nu al in de wc te verdrinken?

Ok, dit mocht ik niet denken. In het echt raken mensen hun embryo'kes ook niet zo snel kwijt. Dit wou niks zeggen, he. Ik moet blijven geloven dat ik bij iedere poging 50% kans heb om zwanger te geraken: of ik raak zwanger, of niet. Statistieken gaan maar op tot je het over een individu hebt. Of over een enkele poging.

Helaas was er nog iets waar ik over kon in tranen barsten: er was maar één echt goed embryo'ke geweest. De rest, vijf anderen waren nog niet okee. De biologe die de uitslag kwam geven voor de dokter tussen mijn benen dook voor de terugplaatsing, zei: 'van de zeven eitjes die we konden verzamelen, zijn er zes bevrucht. Eentje ontwikkelde zich goed. Of we de vijf anderen kunnen invriezen voor volgende pogingen, weten we nog niet. We gaan het nog een nachtje aanzien en morgen beslissen.'

Het ziet er naar uit dat het wel eens alles of niets wordt. Dus probeer ik sindsdien aan het Sneeuwvlokje in mijn buik te zeggen dat het daarbinnen veel gezelliger is dan buiten. Veel knusser en warmer en lekker zacht. Jaja, blijf maar goed zitten daar.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen